slot
Bewoningsgeschiedenis Egmond
Een zeegat bij Egmond?
De komst van Adelbert
Wonderverhalen
Graaf Dirk I
De Adelbertusbron
De abdij van Egmond
Bloei en einde van de abdij
Sancti Adalbert abdijbier in historische context
Presentatie Tripel
Presentatie Witte
Op weg naar een eigen brouwerij

Tekst overgenomen uit Monnikenwerk (©Peter Lassooy)


Egmond

De eerste die van Egmond spreekt, is Ruopert van Mettlach. Hij schreef omstreeks 980 de Vita Sancti Adalberti over het leven van de heilige Adelbertus. In deze Vita wordt gesuggereerd dat de naam Egmond te maken heeft met een zekere Eggo, een goede vriend van Adelbertus.
Er bestaat ook een verklaring dat Hecmunda 'versterkt gebied' zou betekenen.
Hiermee wordt bedoeld de Adelbertusakker, waar het eerste kerkje van Adelbert gestaan heeft en waarvan beweerd wordt dat het omgeven was door een houten omheining.
De naam Egmond zou ook kunnen wijzen op een monding van een water, wat weer in verband zou kunnen worden gebracht met de monding van het Oer-IJ.
Als we naar de kaart van De Roo kijken dan zien we dat bij Egmond de delgrond naar het westen loopt en verdwijnt onder de jonge duinen. Dit zou er op kunnen wijzen dat hier een opening naar zee is geweest.

750

Impressie van het landschap aan het eind van de 7e eeuw




Een zeegat bij Egmond?

Bij de definitieve sluiting van het zeegat van Bergen in ca. 1000 v.C. vermengde het kalkarme zand van de noordelijke kustboog zich met kalkrijkere zanden uit het zuiden. Er vormde zich een derde strandwal, de zogenoemde westelijke Kennemer strandwal. Het Oer-IJ meanderde tussen de strandwallen, vormde een kreken- en geulensysteem en vond op verscheidene plaatsen een uitweg naar zee.
Er ontstond een breed estuarium. In dit brede mondingsgebied overheerste de invloed van de zee, maar naarmate het zeegat meer verzandde en de invloed van het zoute water minder werd, kon tussen de strandwallen laagveen ontstaan. Achter de strandwallen ontwikkelde zich een hoogveengebied.
Tussen Bergen en Castricum brak de zee regelmatig in. Al deze zee-inbraken zijn van invloed geweest op de morfologie (de vorm) van het strandwallenlandschap langs de duinvoet. Het overtollige water van het steeds hoger wordende veengebied werd door verschillende stroompjes afgevoerd. Deze stroompjes zijn nog altijd in het landschap herkenbaar als meanderende sloten.
De Egmonderbinnenvaart volgt zo'n oude stroomgeul. Andere mogelijke veenstroompjes zijn de Roosloot, de Voert, de huidige loop van de Hoevervaart en een uitwatering bij Egmond-Binnen.
Als men de huidige hoge duinen ziet, is het haast niet voor te stellen dat deze stromen in zee uitmondden. De oude duinen van de westelijke strandwal waren hoogstens 5 m hoog. De jonge duinen bereiken een hoogte van 30 à 40 m en zijn pas ontstaan tussen de tiende en zestiende eeuw.
Het zeegat van Egmond zien we op de bodemkaart van De Roo als een naar het westen lopende delgrond die zich ten westen van Egmond-Binnen voortzet als vochtige tot natte duinzandgrond (Waterrijk). Dit zou best wel eens de laatste verbinding met zee geweest kunnen zijn waardoor Egmond tot in de tiende eeuw per schip bereikbaar was.
Wellicht hebben de Noormannen van deze route gebruik gemaakt, getuige enige aanwijzingen in de legenden van Sint-Adelbert.



De komst van Adelbert

Uit de donkere eeuwen die volgden op de ineenstorting van het Romeinse gezag
(260 n.C.) is vrijwel niets bekend over de kuststreken van het latere Holland.
Men vermoedt dat de oude duinen toen nauwelijks bewoond waren. In de loop van de zesde en zevende eeuw (Merovingische tijd) raakten de kuststreken geleidelijk weer bewoond. De Friese bevolking ondervond de invloed van een machtige Frankische buur. De Frankische koningen beschouwden zich als rechtmatige opvolgers van de Romeinen. Het Friese koninkrijk onder Radboud kwam weldra met het Frankische in botsing en Radboud werd in 690 bij Dorestad (Wijk bij Duurstede) verslagen.
In 690 werd Willibrord naar het veroverde Friese gebied gezonden om daar zijn zendingswerk te verrichten. Radboud heroverde het gebied echter en de kerkjes die Willibrord had gesticht gingen in vlammen op. Na de dood van Radboud hebben de Franken Frisia tot aan het Vlie veroverd en vanaf 719 kon Willibrord zijn zendingswerk in noordelijke richting voltooien. Hij stichtte een kerk in Heiloo, die onder het gezag viel van het eveneens door Willibrord gestichte klooster te Echternach. Aan deze kerk was ook Adelbert verbonden, vermoedelijk een van de elf volgelingen van Willibrord. Het leven van Adelbert is omstreeks 980 beschreven in de Vita Sancti Adalberti door Ruopert, monnik in het klooster van Mettlach, 40 km ten zuiden van Trier.
Zijn opdrachtgever was aartsbisschop Egbert van Trier, zoon van Dirk II, de stichter van de abdij.
Ruopert vertelt dat Adelbert zich herhaaldelijk terugtrok op de strandvlakte om aan de al te grote toeloop van nieuwsgierigen te ontkomen. Die plek, ten westen van Hallem (het huidige Egmond-Binnen), heette Egmond. Bij de bevolking was Adelbert zeer geliefd en na zijn dood in ca. 740 bouwde men op die plek, de huidige Adelbertusakker, een eenvoudige houten gedachteniskapel boven zijn graf.

adelbertusakker

De Adelbertusakker in Egmond-Binnen. De bakermat van Holland.

Aan Adelbert worden veel wonderen toegeschreven. Uit de oudste wonderverhalen blijkt dat Adelbert door de bevolking al spoedig als heilige werd vereerd en dat zowel christenen als niet-christenen zijn hulp inriepen. Enkele van deze wonderverhalen spelen zich af in de tijd van de Noormannen, de zeerovers die de streek plunderden en verwoestten, daarbij ook de gedachteniskapel in brand staken en de bevolking onder dwang meevoerden.



Wonderverhalen uit de Vita Sancti Adalberti

Aan de hand van de wonderverhalen, opgetekend in de Vita Sancti Adalberti, is het mogelijk om een beeld te vormen van het landschap in de negende of tiende eeuw. In de verhalen is er sprake van een waterweg en dat is misschien de laatste verbinding geweest van Egmond met de Noordzee, een nauwe doorgang, waardoor de Noormannen waarschijnlijk moeite gehad hebben met navigeren wanneer het zicht niet al te helder was. Van een haven zijn nooit sporen gevonden, maar die liggen wellicht onder een dik pak jong duinzand. Het eerste verhaal geeft aan dat er al uitgebreide zandverstuivingen zijn en in het tweede verhaal lezen we dat de kapel zichtbaar was vanaf zee. Tussen de kapel en de zee waren dus nog geen hoge duinen zoals we die nu kennen.

omhoog

Graaf Dirk I in Hallem

De aanvallen van de Noormannen hielden nog geruime tijd aan, tot men twee van hen aanstelde voor de kustverdediging. Een van hen was Rorik. Deze Rorik, die omstreeks 850 door keizer Lotharius werd beleend met Dorestad, liet zich in 862 dopen.
Het Hollandse Normandi‘ was echter geen lang leven beschoren. Na de moord op Roriks opvolger Godfried in 885 ontstond een vacuŸm waarin lokale potentaatjes naar de macht grepen.
Een van hen was Gerulf. Hij werd in 889 door keizer Arnulf van Karinthië beleend met bezittingen in de buurt van de monding van de Rijn en in de buurt van Tiel.
Zijn twee zonen, Waldger en Dirk, volgen hem op: Waldger in het oosten en Dirk in het westen. Met Dirk I, de eerste Hollandse graaf, komt Egmond weer in beeld. Dirk kreeg op 15 juni 922 van koning Karel III (de Eenvoudige) van West-Franci‘, als dank voor zijn steun, de kerk van Egmond en haar landbezit ten geschenke.
Het Egmondse goederencomplex moet beschouwd worden als een van de belangrijkste fundamenten van het graafschap Holland.

put

omhoog

De heilige Adelbertusbron

Onder de duinen bevindt zich een grote zoetwaterbel, gevormd door neerslag.
Aan de binnenduinrand komt dit water als kwel aan de oppervlakte en wordt door duinrellen afgevoerd naar de polder.
Het schone water is in de loop der eeuwen voor diverse doeleinden gebruikt.
Zo waren er veel blekerijen die het water gebruikten om linnen te wassen. Namen als de Weg naar de Bleek
wijzen daar nog op. In Egmond aan den Hoef stond zelfs een papiermolen die het water gebruikte om
papier te pappen. Ook voor bierbereiding werd duinwater gebruikt en later voor drinkwater.
Maar in de tiende eeuw, toen de duinen zich gingen vormen, was kwel een
betrekkelijk nieuw fenomeen, wat kan verklaren dat men het destijds als een wonder beschouwde. Sancti Adalberti abdijbier is geënt met het water uit deze bron.Nu had Dirk I in de nabijheid van Egmond vòòr 922 ook al bezittingen. Hij had in het dorp Hallem (het huidige Egmond-Binnen) een kloostertje laten bouwen voor Benedictijner nonnen. Deze zusters kerkten in Egmond. Een van de Hallemse nonnen heette Wilfsit. Sint-Adelbert verscheen haar driemaal in een droom en riep haar op zijn gebeente op te graven en over te brengen naar een plaats waar het beter vereerd zou kunnen worden. Wilfsit ging met de boodschap naar graaf Dirk, die dankbaar gebruik kon maken van de verschijning. Rond 15 juni 922 liet Dirk de kerk van Egmond afbreken en het gebeente van Adelbert opgraven en overbrengen naar het Hallemse kloostertje. Wellicht was het feit dat de toenemende verstuivingen de toegang tot het kerkje bemoeilijkten mede de oorzaak van de verhuizing. Deze translatie wordt nog altijd rond 15 juni gevierd op de Adelbertusakker en in de abdij.
Op de plaats waar het gebeente van Adelbert was opgegraven welde een geneeskrachtige bron op. Daar had de graaf niet op gerekend. Hij wilde van Hallem (dat al vrij snel de naam Egmond had overgenomen) een bedevaartcentrum maken. De pelgrims verdeelden nu hun aandacht over twee centra: de heilige bron in het voormalige Egmond en de kloosterkerk in het nieuwe Egmond waar de relieken van de heilige werden bewaard.
Uit Ruoperts verhaal blijkt dat de bron de meeste pelgrims trok: vooral blinden en zieken van geest vonden er genezing.

abdij voor 1573

De Sint Adelbertabdij van Egmond in volle glorie, geschilderd door Jan Jacobsz. van der Croos in 1681. De abdij werd in 1573 op last van Dirk van Sonoy in brand gestoken, zodat de Spanjaarden haar niet konden annexeren. Uit de geschiedschrijving weten we dat Dirk eerst nog het lood van de daken en een brouwketel had meegenomen (Stedelijk museum Alkmaar).


omhoog

De abdij van Egmond

Tot tweemaal toe was er brand in het houten kloostertje in Hallem. De laatste brand moet zo hevig zijn geweest dat herbouw niet meer mogelijk was. Graaf Dirk II, de zoon van Dirk I, liet omstreeks 950 een geheel nieuw klooster bouwen. De nonnen, die niet opgewassen waren tegen de dreiging van de West-Friezen, werden vervangen door Benedictijner monniken uit de Sint-Pieterabdij van Gent. De eerste abt was Wonobolt.
Intussen was het grondbezit van de abdij door giften fors toegenomen. Dat bezit zorgde voor het inkomen van de abdij.
De abdij op haar beurt moest dat bezit beschermen om te zorgen voor het welzijn voor ieder mens. De regel der monniken beoogde een kloostergemeenschap zonder belemmerende zorgen voor het aards bestaan. Als er armoede heerste en ontbering geleden werd, zou men dat zonder morren aanvaarden, maar de normale toestand was toch een zeker welzijn. Iedereen werkte daar naar vermogen aan mee. Er werd aan land- en tuinbouw gedaan, het klooster had zijn molen en bakkerij en wanneer er bedreven handslieden waren die iets konden presteren, kon het product van het werk verkocht worden. Dat laatste echter weer zonder al te veel winstbejag, zodat de Regel in de tijd dat concurrentie nog onbekend scheen, zelfs kon voorschrijven dat dit product enigszins goedkoper moest worden verkocht dan in de buitenwereld gebruikelijk was.
De abdij was kapitaalkrachtig genoeg om enorme hoeveelheden woeste grond, die toen beschikbaar was, om te zetten in cultuurland. Ook de aanleg van de eerste dijken werd door de monniken ondernomen. Dat was wel nodig ook want de geografische omstandigheden veranderden sterk.

ruysdael

Salomon van Ruysdael schilderde dit landschap met de ruïnes van de abdij in 1664. Gezien vanuit het zuidoosten ziet men aan de horizon de jonge duinen.
De ruïne staat op de strandwal en de oude duinen sluiten hier nog bij aan. Linksonder zorgt een duinrel voor drinkwater voor de vredig grazende koeien.
Musée Jeanne d'Aboville, La Fère.


omhoog

Bloei en einde van de abdij

Gedurende heel haar bestaan heeft de abdij van Egmond perioden gekend van grote bloei en van achteruitgang. Vaak door al te grote invloeden van buitenaf.
In 1130 nam abt Wouter het bestuur van de abdij op zich en hij leidde haar eenendertig jaar met veel succes. Voor het beheer van de goederen was hij zo gelukkig iemand te vinden die hij kon vertrouwen. Deze heer Berwout gaf hij een hoeve op korte afstand van de abdij.
Zijn nakomelingen bouwden op die plaats het 'Slot op den Hoef', waarvan nu nog de funderingen getuigen van grootsheid. Berwout bekleedde het ambt van advocaat en hoewel dat niet erfelijk was, hebben de heren van Egmond zich steeds beschouwd als de beschermheren van de abdij. Niet altijd tot genoegen van beide partijen. De heren van Egmond, die de abdij hadden moeten beschermen, traden vaak op als haar ergste vervolgers, en af en toe kozen de kloosterlingen bewust hun abt uit het geslacht Egmond om deze min of meer te dwingen partij voor de abdij te kiezen. Onder abt Lubbert II, ook een van de Egmondse heren, beleefde de abdij in de dertiende eeuw haar grootste bloei en dat zal in een periode van overstromingen met alle zorgen voor onderhoud van dijken, wegen en landgoederen beslist niet eenvoudig geweest zijn. Perioden van verval en bloei volgden elkaar op en in de zestiende eeuw raakte het klooster in schulden. Toen in 1567 een groep geuzen, die door Hendrik van Brederode ontslagen waren, door Kennemerland en West-Friesland rondtrokken, beroofden zij de abdij van een groot aantal kostbaarheden en gijzelden een van de monniken, in de hoop hem tegen een hoog losgeld uit te kunnen leveren. In 1572 bezetten en plunderden ze de abdij, onder bevel van Dirk van Sonoy.
Vlak voordat de Spaanse troepen het beleg om Alkmaar sloegen, is het uiteindelijke vernietigingswerk van de roemruchte abdij begonnen. Op 7 juni 1573 legde Sonoy dicht bij het klooster een schans aan. Hij liet de torenklokken en een brouwketel uit de abdij halen en 6000 pond lood van de daken. Daarna stak men de gebouwen, die reeds door de monniken verlaten waren, in brand, zodat de Spanjaarden ze bij hun komst niet konden benutten.
Op dezelfde dag gingen ook het Slot op den Hoef en de kerkjes in de omgeving in vlammen op.

omhoog

Het abdijbier Sancti Adalberti in historische context

Het bier terug in Egmond
Het houten kloostertje van Adelbert werd in 950 vervangen door een stenen abdij en de nonnen werden vervangen door Benedictijner monniken uit Gent.
De abdij groeide uit tot een centrum van kennis en macht tot het in 1573 verwoest werd door de geuzen, onder leiding van Dirk van Sonoy. Hij deed dat om te beletten dat de Spanjaarden zich daar zouden huisvesten. De Spanjaarden hadden vergeefs getracht om Alkmaar in te nemen en trokken zich terug. Uit de geschiedschrijving weten we dat Sonoy het lood van de daken meenam en… een brouwketel.
Dat gegeven bracht Peter Lassooy er toe om eens te bezien of het mogelijk was om het bier in Egmond terug te brengen. Er werden gesprekken gevoerd met abt Gerard Mathijsen van de Sint Adelbertabdij. De abt, zoon van een bierbrouwer, vond het een geweldig idee en er werd een overeenkomst gemaakt. Samen met Hans van Os is Lassooy naar Brouwerij De Prael gegaan om te vragen of zij dat bier wilden brouwen. Als basis werd een van de bieren van De Prael gebruikt en er werd lindebloesem aan toegevoegd als referentie aan de linden op de Adelbertusakker en in de Abdijlaan en water uit de heilige bron van Adelbert.
Fer en Arno van De Prael vonden het onmiddellijk een interessant verhaal en stelden voor om 1000 liter te gaan brouwen.
Fer Kok wist Lassooy er van te overtuigen dat 1000 liter echt niet zo veel was en dat het wel op kwam. En dat gebeurde maar al te snel.
Met een kruik, die gezegend was door de abt werd het heilige water van de bron naar de Prael gebracht en het brouwproces begon.
Gezocht werd naar een moment om het te presenteren en dat werd gevonden in relatie met de opening van het Monnikenpad, een wandeling door de Egmonden waarbij je de rijke historie van de abdij beleeft.

spel

omhoog

Een Egmondse Tripel

Op 28 juni werd in de abdijtuin een spel opgevoerd van Wilfsit en de heilige bron van Adelbert door de kinderen van het dorp. Daar ontsprong als een heuse fontein de bron van Adelbert. Aan het eind van het spel kwam Dirk van Sonoy (die ooit de brouwketel meenam) gezeten op een Fries paard het bier terugbrengen naar Egmond.

Bekijk het fotoalbum.

Het eerste glas werd getapt door abt Gerard Mathijsen voor de burgemeester van de gemeente Bergen mevrouw Hetty Hafkamp.
Het bier was goed, het concept was goed, de marketing en de vormgeving waren goed, kortom het kon niet meer stuk. In 2010 werd er bijna 9000 liter gebrouwen.

sonoy

abt

proost

omhoog

Een 'eigenweizen' witte

Omdat de markt voor tripel in de zomer een beetje inzakt werd besloten om ook een witbier op de markt te brengen. Aan Frans Ruiter werd gevraagd of hij hiervoor een recept wilde maken. Frans is erg betrokken bij de ontwikkeling van Sancti Adalberti. Hij koos voor een weizenbier en begeleidde het brouwproces bij De Prael.

Op 19 mei werd de Egmondse Witte, een weizenbier van Sancti Adalberti aan wal gebracht door de Egmondse Pinck, een replica van een historische vissersboot uit de 17e eeuw. Met paard en wagen werden de eiken fusten naar strandpaviljoen Bad Egmond gebracht, alwaar een ieder gratis van dit fris schuimende bier kon genieten.

De Prael moest alle zeilen bij zetten om aan de vraag naar Egmondse Tripel en Egmondse Witte te voldoen en vaak lukte dat niet. In goed overleg werd besloten om de samenwerking af te bouwen en het bier vloeiend over te laten gaan naar een andere brouwerij. Dat werd de ‘Proef’brouwerij' in Lochristi – België. Daar werd begin juli 2011 de tripel gebrouwen en de witte volgde in september. Het heilige water uit de bron is nu dus ook naar Lochristi gebracht.
Lochristie ligt onder de rook van Gent, daar waar ooit de monniken van Egmond vandaan kwamen. Bij de Proefbrouwerij is een verdere groei gegarandeerd.

Zie het fotoalbum van Meinard Carper.

witte

omhoog

Op weg naar een eigen brouwerij

En natuurlijk blijft het bij ons kriebelen, net als bij al die andere hobbybrouwers en ‘etiketten’brouwers. Het ultieme doel: een eigen brouwerij. Hoe ga je dat doen? Waar vind je een locatie, hoe groot moet het volume zijn? Wat kost een brouwhuis? Hoe vind je investeerders, etc. etc.
Hier is het pad dat wij bewandelen. In de eerste plaats is een visie neergezet. Brouwerij Egmond moet een duurzaam en sociaal maatschappelijk betrokken onderneming worden. People, Planet, Profit. Werken met mensen uit de zorg en leerplekken bieden.
Voorzien in eigen energie, geen afval produceren en grondstoffen zoveel als mogelijk betrekken uit de omgeving. Inkomen moet gegenereerd worden uit de verkoop van bier en biergerelateerde producten, een proeflokaal en het geven van rondleidingen.
Lassooy vond een partner in Ward de Groote, adviseur in duurzaam ondernemen en samen hebben zij een brainstormgroep in het leven geroepen om te zien of een dergelijk plan levensvatbaar was. In de groep zaten mensen uit de zorg, uit de biologische landbouw, uit het onderwijs, ondernemers en een afgevaardigde van de abdij. Op basis van deze brainstormsessies werd besloten om door te gaan.
Samen met Jan Tervoort, Gerco Tervoort, Meinard Carper en Roel van Velzen werd een klankbordgroep opgericht met als doel om tot de kansen voor de oprichting van een eigen brouwerij te onderzoeken en te verwerken in een businessplan. Frans Ruiter en brouwmeester Albert Hoffmann leveren advies.
Het businessplan zal in 2012 verschijnen.

omhoog

logo

Het enige Nederlandse abdijbier

Sancti Adalberti abdijbieren worden, in licentie met de abdij van Egmond, ambachtelijk gebrouwen met 100% biologische granen. De toegevoegde lindebloesem geeft een heerlijke geur en samen met het water uit de heilige bron van Adelbert maakt het van Sancti Adalberti een bijzonder bier, geworteld in het verleden van de abdij van Egmond.






© www.peterlassooy.nl